Insuline spuiten

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Insuline spuiten

Wat gebeurt er als u insuline spuit?

Als u insuline spuit, gebeurt er in grote lijnen het volgende:

  • U spuit de insuline met een insulinepen onder de huid.
  • De insuline wordt in het bloed opgenomen.
  • De hoeveelheid insuline in het bloed stijgt tot een bepaald maximum.
  • Het lichaam verbruikt de insuline, waardoor de hoeveelheid insuline daalt.

Spuiten gebeurt volgens een schema dat u met de arts of diabetesverpleegkundige hebt afgesproken. Er wordt bekeken wat voor u de beste soort insuline is, hoe vaak u moet spuiten, hoeveel eenheden u moet spuiten enzovoort.

Wat heeft u nodig?

  • Een insulinepen. Er zijn verschillende soorten verkrijgbaar, maar meestal horen bepaalde pennen bij een bepaald merk insuline. Als u een pen heeft met een TNO-verklaring of een CE-certificaat, kunt u ervan uitgaan dat de pen technisch goed is. Bij de meeste pennen kan de ampul met insuline verwisseld worden. Er zijn ook wegwerppennen. Sommige pennen laten bij het instellen bij elke eenheid een klikje horen; handig als u slecht ziet. Er zijn pennen met een naaldloos injectiesysteem. Bij sommige pennen is na te gaan hoelang geleden u een bepaalde dosis heeft gespoten.
  • Naaldjes. De meeste mensen gebruiken naaldjes van 5 of 6 millimeter. Wie liever schuin spuit of in een huidplooi, heeft een iets langer naaldje nodig.
  • Insuline. Er zijn verschillende soorten insulines, van kortwerkend tot langwerkend en combinaties daartussenin. Kijk voor meer informatie op Insuline.

Hoe spuit u insuline?

Insuline spuiten gaat als volgt:

  • Gebruik uw insulinepen uitsluitend voor uzelf, vanuit hygiënisch oogpunt. Ontsmetten is echter niet nodig.
  • Was uw handen.
  • Is de insuline troebel, beweeg deze dan eerst een keer of twintig rustig heen en weer, totdat er een 'egale' insuline ontstaat. Niet schudden!
  • Plaats de naald op de pen en haal het dopje van de naald.
  • Spuit met één à twee eenheden de lucht in de naald weg.
  • Stel de hoeveelheid insuline in en controleer dit nogmaals.
  • Zoek een onbeschadigd stukje huid.
  • Plaats de pen loodrecht op de huid, dan kunt u nauwkeurig bepalen waar de insuline terechtkomt. Een huidplooi vastpakken is niet nodig.
  • Steek de naald tot onder de huid.
  • Houd de pen met uw hand vast en druk met de duim op de knop. Houd de naald zo stil mogelijk, om alle insuline in het lichaam terecht te laten komen.
  • Laat het naaldje na het spuiten altijd nog minimaal tien seconden in de huid zitten.
  • Haal de naald er in dezelfde richting uit als hij in de huid is gestoken.
  • Komt er een beetje bloed vrij op de spuitplaats, dep dat dan met een papieren zakdoekje op.
  • Lekt er nog wat insuline nadat de pen is teruggetrokken, blijf dan de waarden controleren.
  • Vervang het naaldje na iedere prikbeurt. Dit voorkomt huidschade en het is minder pijnlijk. Ook verkleint het de kans op lekkage en vermenging van insuline in de ampul.

Waar spuit u insuline?

  • In de buik, billen, armen of bovenbenen. De opname in de buik gaat het snelst, vanwege de betere doorbloeding. Maar welke plaats voor u het best is, is onder andere afhankelijk van de soort insuline die u gebruikt. Overleg dit met uw diabetesverpleegkundige.
  • Insuline moet terechtkomen in het laagje onderhuids vetweefsel onder de huid en boven de spieren. Dus niet in de spieren, dan wordt de insuline te snel opgenomen waardoor de werkingsduur korter wordt. Bovendien is dit vele malen pijnlijker en krijgt u doorgaans blauwe plekken.
  • Waar u spuit, is onder andere afhankelijk van wat u na het spuiten gaat doen. Gaat u bijvoorbeeld binnen een uur sporten, spuit dan niet in uw been.
  • Wissel de spuitplaatsen af, met minimaal steeds een vinger ertussen. Zo voorkomt u littekenweefsel en spuitplekken. Die zijn vervelend en pijnlijk, en de insulineopname wordt er minder voorspelbaar door. Met als mogelijk gevolg een slechtere regulatie.

Hoe bewaart u insuline?

  • Koel, maar vorstvrij; bij voorkeur tussen 2 en 8 graden Celsius. U kunt insuline dus bijvoorbeeld in de koelkast bewaren, liefst in het midden of in de groentela. Liever niet bovenin en niet tegen de achterwand.
  • Op kamertemperatuur als de insuline is aangebroken. De insuline is nu beperkt houdbaar.
  • Buiten direct zonlicht.
Persoonlijke instellingen